Zomereczeem: feiten en fabels


Het diagnosticeren en behandelen van zomereczeem is belangrijk voor een effectieve aanpak, maar dit is niet zo gemakkelijk. Zoals we in eerdere blogs hebben omschreven is zomereczeem een allergie, die te herkennen is aan een aantal kenmerken. Een daarvan is jeuk, hoewel dit een symptoom is van vele (huid)aandoeningen. In deze blog zet ik een aantal feiten en fabels op een rij, onderbouwd vanuit mijn wetenschappelijke achtergrond.

Zomereczeem kan door middel van een bloedtest door de dierenarts gediagnostiseerd worden

Fabel. Momenteel is er nog geen test op de markt waarbij een paard specifiek kan worden getest voor zomereczeem. De dierenarts kan een algemene allergietest doen en gaat dan verder af op de symptomen die het paard laat zien om te bepalen of het paard zomereczeem (staart- en maneneczeem) of een andere aandoening heeft. Er zijn wel diverse testen voor de diagnose van zomereczeem (knuttenallergie) in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd, maar deze zijn nog niet op de markt gebracht. Er wordt wel hard aan dergelijke testen gewerkt, o.a. bij de Wageningen Universiteit. Op basis van knuttenallergenen die ze in het lab nagemaakt hebben kunnen ze met ca. 90% zekerheid bepalen of een paard zomereczeem heeft. Deze test is momenteel nog niet beschikbaar voor particulieren of dierenartsen.

Van der Meide et al., 2013

Zomereczeem is seizoensgebonden

Feit. Knutten (Culicoides) zijn actief zodra de temperatuur boven de 15°C komt. Knutten hebben bij voorkeur droog en windstil weer. Hierdoor hebben paarden vooral in het voorjaar, de zomer en het najaar last van staart- en maneneczeem. Dit omdat de knutten zich dan voortplanten, hiervoor hebben de vrouwtjes knutten bloed nodig voor het leggen van eitjes.

Een paard met zomereczeem (staart- en maneneczeem) heeft alleen schuurplekken bij staart en manen

Fabel. Hoewel het lijkt alsof bij de meeste paarden alleen de manen en staart aangedaan zijn kan zomereczeem kan zich uiten op heel het lijf. Overal waar de knutten bijten veroorzaken ze bij een paard met zomereczeem jeuk, met schuurplekken als gevolg. Wel is het zo dat knutten voorkeur hebben voor plekken waar ze makkelijker bij de huid kunnen komen, zoals bij de staart en manen. Hier staan de haren namelijk wat verder uit elkaar waardoor de knutten makkelijker bij de huid kunnen komen om bloed te drinken. Andere plekken waar de beharing van paarden en pony’s minder dicht is zijn de liezen, buik, koker en het hoofd. Op deze plekken worden paarden ook gebeten, en dit zijn dan ook beruchte plaatsen voor het ontstaan van eczeemplekken.

Anderson et al., 1996

Staart- en maneneczeem is besmettelijk

Fabel. Staart- en maneneczeem is een allergie. Allergieën zijn niet besmettelijk, maar ontwikkelen in een individu. Het kan wel zijn dat de gevoeligheid om een allergie te ontwikkelen genetisch wordt doorgegeven (bijvoorbeeld van merrie op veulen). Erfelijkheid is onder andere aangetoond in BWP en Friese paarden. Paarden die tot deze rassen behoren hebben een verhoogde kans op het ontwikkelen van zomereczeem, maar dat betekent niet dat ze ook altijd zomereczeem ontwikkelen. Blootstelling aan knutten op jonge leeftijd, verkleint de kans op het ontwikkelen van zomereczeem op latere leeftijd. Dit fenomeen is duidelijk te zie bij IJslandse paarden. Als deze paarden al enkele jaren oud zijn voor ze van IJsland (waar geen knutten voorkomen) naar Nederland of Duitsland geëxporteerd worden dan hebben ze ca. 50% kans om zomereczeem te ontwikkelen. Worden ze op jonge leeftijd (minder dan 6 maanden) naar Nederland of Duitsland geëxporteerd of worden ze daar geboren, dan is de kans op het ontwikkelen van zomereczeem veel lager (5-10%).

Peeters et al., 2015; Schurink et al., 2011; Schurink et al., 2018; Marti et al., 2008; Björnsdóttir et al., 2006

Paarden worden niet met zomereczeem geboren

Feit. Allergieën ontwikkelen zich, dieren worden niet allergisch geboren, zo ook bij zomereczeem. Uitzonderingen daargelaten, zie je geen veulens met staart- en maneneczeem. De eerste symptomen worden vaak gezien tussen de 2 en 5 jaar oud, maar ook daarna kunnen paarden SME krijgen. 

Wilson et al., 2001; Steinman et al., 2003; Wagner et al., 2003; Hallamaa, 2009

Heb je zelf nog een interessante stelling? Stuur hem zeker door via de mail!
Bronnen:
  • Anderson, G. S., P. Belton, E. Jahren, H. Lange, and N. Kleider. 1996. Immunotherapy trial for horses in British Columbia with Culicoides (Diptera: Ceratopogonidae) hypersensitivity. Journal of Medical Entomology 33(3):458-466.
  • Björnsdóttir, S., J. Sigvaldadóttir, H. Broström, B. Langvad, and Á. Sigurðsson. 2006. Summer eczema in exported Icelandic horses: influence of environmental and genetic factors. Acta Veterinaria Scandinavica 48(1):3.
  • Hallamaa, R. E. 2009. Characteristics of equine summer eczema with emphasis on differences between Finnhorses and Icelandic horses in a 11-year study. Acta Veterinaria Scandinavica 51(1):29-29. doi: 10.1186/1751-0147-51-29
  • Marti, E., V. Gerber, A. D. Wilson, J. P. Lavoie, D. Horohov, R. Crameri, D. P. Lunn, D. Antczak, S. Björnsdóttir, T. S. Björnsdóttir, F. Cunningham, M. Dérer, R. Frey, E. Hamza, P. Horin, M. Heimann, G. Kolm-Stark, G. Ólafsdóttir, E. Ramery, C. Russell, A. Schaffartzik, V. Svansson, S. Torsteinsdóttir, and B. Wagner. 2008. Report of the 3rd Havemeyer workshop on allergic diseases of the Horse, Hólar, Iceland, June 2007. Veterinary Immunology and Immunopathology 126(3):351-361. doi: 10.1016/j.vetimm.2008.07.008
  • Peeters, L. M., S. Janssens, M. Brebels, and N. Buys. 2015. Genetic parameters and estimated breeding values of insect bite hypersensitivity in Belgian Warmblood horses. The Veterinary Journal 206(3):420-422.
  • Schurink, A., B. Ducro, H. Heuven, and J. Van Arendonk. 2011. Genetic parameters of insect bite hypersensitivity in Dutch Friesian broodmares. Journal of Animal Science 89(5):1286-1293.
  • Schurink, A., V. H. da Silva, B. D. Velie, B. W. Dibbits, R. P. Crooijmans, L. François, S. Janssens, A. Stinckens, S. Blott, and N. Buys. 2018. Copy number variations in Friesian horses and genetic risk factors for insect bite hypersensitivity. BMC genetics 19(1):49. 
  • Steinman, A., G. Peer, and E. Klement. 2003. Epidemiological study of Culicoides hypersensitivity in horses in Israel. Veterinary record 152(24):748-750.
  • Van der Meide, N. M., N. Roders, M. M. S. van Oldruitenborgh-Oosterbaan, P. J. Schaap, M. M. van Oers, W. Leibold, H. F. Savelkoul, and E. Tijhaar. 2013. Cloning and expression of candidate allergens from Culicoides obsoletus for diagnosis of insect bite hypersensitivity in horses. Veterinary immunology and immunopathology 153(3-4):227-239.
  • Wagner, B., A. Radbruch, J. Rohwer, and W. Leibold. 2003. Monoclonal anti-equine IgE antibodies with specificity for different epitopes on the immunoglobulin heavy chain of native IgE. Veterinary Immunology and Immunopathology 92(1-2):45-60.
  • Wilson, A. D., L. J. Harwood, S. Björnsdottir, E. Marti, and M. J. Day. 2001. Detection of IgG and IgE serum antibodies to Culicoides salivary gland antigens in horses with insect dermal hypersensitivity (sweet itch). Equine Veterinary Journal 33(7):707-713. doi: 10.2746/042516401776249363
  • Photo by Jason Polychronopulos on Unsplash
Hallo! Mijn naam is Ivy, ik ben dierwetenschapper, afgestudeerd aan de Universiteit van Wageningen. Mijn scriptie heb ik geschreven over het ontwikkelen van een test om zomereczeem te detecteren. Daarvoor heb ik me verdiept in de oorzaken van zomereczeem onder begeleiding van dr. Edwin Tijhaar. Edwin is veterinair immunoloog en een van de oprichters van Cool4Horses.  Ivy C4H